Blog - Algemeen directeur van Please over afschaffing sectorverloning

Formatie kabinet commentaar Please Vorige week reageerde demissionair minister Asscher dan eindelijk op de gestelde Kamervragen over de afschaffing van de sectorverloning. Een ingrijpende maatregel die hij volledig buiten de Tweede Kamer om nam middels een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). In zijn laatste maanden als minister splitst hij dit besluit niet alleen in de maag van de uitzendbranche, maar krijgen ook de nieuwe regering én de toekomstige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid direct een netelig probleem op hun bord. Uiteraard ben ik, en velen in de uitzendbranche met mij, enorm benieuwd naar de motivatie – en misschien nog wel belangrijker – de onderbouwing van Asscher.
Volgens het sectorsysteem is er een correlatie tussen de specifieke sector en de mate van aanspraak op werknemersverzekeringen zoals WW, ZW en WGA. Daarom is de premie die door de werkgever betaald moet worden ter financiering van deze uitkeringen, afhankelijk van de sector waarin de medewerker werkzaam is. Dat is logisch omdat uit cijfers blijkt dat de verschillende sectoren ook verschillende uitkeringslasten laten zien.

Maar volgens Asscher is er ook een correlatie tussen het soort werkgever en de mate van aanspraak. Asscher stelt dat de uitzendbranche daarom geen toegang mag hebben tot de sectorindeling, maar in een eigen sector - sector 52 - moet worden ingedeeld. Daarom verbiedt hij nieuwe uitzendbedrijven per 24 mei jongstleden toegang tot indeling in een vaksector. Hierdoor moet voortaan voor iedere uitzendkracht, ongeacht beroepsgroep, dezelfde hoge premies betaald worden. Het inzetten van de AMvB als demissionair minister leidde tot kritische Kamervragen van CDA-leden Omtzigt en Heerma. Zij vergaten echter enkele cruciale vragen voor te leggen aan de minister.

Asscher stelt namelijk dat uitzendbedrijven onterecht premievoordeel behalen door uitzendkrachten te verlonen binnen de sector waarin zij werkzaam zijn. Volgens de demissionair minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet dit afbreuk aan het principe waarop de sectorpremies worden bepaald: ‘de vervuiler betaalt’. Maar is het terecht om te spreken van een ‘voordeel’? Of is het afdragen van premies binnen de sector waarin iemand wordt tewerkgesteld niet bij uitstek een toepassing van ditzelfde principe?

Ook beweert Asscher dat de sectorverloning van uitzendbedrijven zorgt voor hogere premies voor andere werkgevers. Het is de vraag of dat klopt. Slechts twee van de vijf componenten van de werkgeverslasten zijn sectorafhankelijk: de WW-premie en de premie Whk (werkhervattingskas). De loonkosten van een uitzendbedrijf zijn echter vaak zo hoog, dat de Whk-premie berekend wordt over de ‘eigen schade’ van het bedrijf en dus niet ten laste komen van de sector. Op deze manier betaalt de uitzendbranche zelf al volledig voor de instroom in de ziektewet (ZW) en Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Het enige hekelpunt is dus de WW-premie.

Volgens Asscher zorgt de uitzendbranche voor een verhoogde instroom in de WW. Echter geeft hij hiervoor geen feitelijke onderbouwing in zijn brief van 10 juli. Ik vraag me af: is het reëel om de beëindiging van een tijdelijk contract te wijten aan het feit dat de medewerker op uitzendbasis in dienst is? Of is dit ontslag inherent aan de sector of het bedrijf waar deze persoon werkzaam is, ongeacht de contractvorm? Ofwel: moet die schade wel worden toebedeeld aan de uitzendsector? Creëren we geen vertekend beeld door de schade niet bij de vaksector onder te brengen? En zijn daardoor de hoge premies voor sector 52 überhaupt wel terecht? Recent onderzoek toont namelijk juist aan dat:

1.) De uitzendbranche voor de meeste werkgelegenheid zorgt (ruim de helft van alle banen). Bron: CBS

2.) Het baanverlies onder flexwerkers het hardst daalt (van 6,1% naar 4,6%). Bron: CBS

3.) Uitzendkrachten in de WW sneller een nieuwe baan vinden die tevens duurzamer is (langer dan 1 jaar) ten opzicht van mensen die direct bij een werkgever in dienst waren. Bron: UWV

Ook is het ziekteverzuim van medewerkers met een flexibel contract ruim de helft lager (2,3%) dan dat van medewerkers met een vast contract. (4,3%). Bron: CBS

Het afschaffen van de sectorverloning is één, maar door de huidige situatie te ‘bevriezen’ creëert Asscher een ongelijk speelveld in de uitzendbranche. Uitzenders en payrollbedrijven die medewerkers al verlonen in de vakspecifieke sector mogen dit voorlopig blijven doen. Voor nieuwe toetreders is dit niet meer mogelijk.

Asscher wil uiteindelijk een definitieve oplossing. Maar aangezien de PvdA geen deel meer wil uitmaken van de nieuwe regering, zal hij dit zelf niet meer kunnen bewerkstelligen. Naar mijn mening zadelt Asscher door dit besluit zijn opvolger op met een onhoudbare situatie.

Het is bekend dat Asscher flexibele arbeidsrelaties duurder wil maken en dat is precies wat hij met dit besluit bereikt. Op deze manier hoopt hij ondernemers te dwingen om sneller over te gaan tot het verstrekken van een vast contract. Dat dit echter zo niet werkt, blijkt ondanks zijn mislukte Wet Werk en Zekerheid nog steeds niet tot hem zijn doorgedrongen. Een kwalijke zaak die de arbeidsmarkt niet ten goede zal komen. Ik verwacht dan ook dat dit nog een flinke staart zal krijgen.

Hans van de Ven
Algemeen directeur Please Payroll