Na Prinsjesdag heeft Politiek Den Haag vorige week druk gedebatteerd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Maar in plaats van een beschouwing voer ik liever een betoog. Een betoog direct gericht aan het kabinet, en in het bijzonder aan Minister Koolmees en Premier Rutte, met maar één vraag: wanneer wordt werkgeven nu ein-de-lijk eens wat eenvoudiger gemaakt? Ik heb de vraag al vaak gesteld, maar aangezien hij onbeantwoord blijft, blijf ik hem herhalen.

Niets nieuws onder zon

De troonrede en miljoenennota bevatten niets nieuws onder de zon vanuit een arbeidsrechtelijk perspectief. Gelukkig maar, want werkgevend Nederland heeft de handen al vol aan implementaties van alle (nieuwe) wet- en regelgeving. In de miljoenennota lees ik wat we al wisten: het gaat goed met de economie en de werkloosheid is laag. De werkloosheid onder jongeren én ouderen is zelfs verder gedaald. Toch maakt het kabinet zich zorgen over de grote hoeveelheid flexwerkers op de arbeidsmarkt. Maar waarom? De meeste flexcontracten worden gewoon verlengd en het is dankzij al die flexwerkers dat de werkloosheid zo laag is. Zouden die flexcontracten niet beter omgezet kunnen worden naar vaste contracten, vragen niet-ingewijden zich af? Nee, daarvoor is het risico voor de werkgever nog steeds te groot.

Als de (kleine) werkgever geen zekerheid heeft, kan hij die ook niet aan zijn werknemers geven.

Sluimerende onzekerheden

Hoewel het nu goed gaat, kan dat zomaar omslaan. Bijvoorbeeld door de naderende Brexit of de stagnatie van de economische groei die het kabinet volgend jaar verwacht, zoals te lezen is in de miljoenennota. Het zijn dit soort sluimerende onzekerheden waardoor een ondernemer zich nooit zomaar rijk kan rekenen. Helemaal niet wanneer je de zorg draagt voor het inkomen van één of meerdere werknemers. Als de (kleine) werkgever geen zekerheid heeft, kan hij die ook niet aan zijn werknemers geven.

Het risico van vaste contracten blijft te groot

De overheid probeert vaste contracten te stimuleren omdat een flexcontract te weinig zekerheid biedt aan de werknemer. Maar waarom zoeken we zekerheid in de duur van een arbeidscontract? Een vast contract kan net zo goed ontbonden worden wanneer de werkgever geen werk meer heeft, of de werknemer niet geschikt blijkt. Ik vind dat werknemers hun zekerheid moeten kunnen vinden in het hebben en onderhouden van kennis en ervaring in beroepen waar vraag naar is.

Waarom zoeken we zekerheid in de duur van een arbeidscontract?

Toch blijft de overheid de voorkeur geven aan vaste contracten, zonder goed te luisteren naar de werkgever. Want zolang het risico van vaste contracten zo groot blijft, durven veel werkgevers het simpelweg niet aan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het aantal flexwerkers in Nederland zo groot is. Het gaat goed met de economie, ondernemers krijgen meer opdrachten, dus zetten zij massaal vacatures uit. Echter kiezen zij liever voor een flexibel contract dan een vast contract. De trend van toenemende flexibilisering vertelt ons dat ondernemers het niet aandurven om te kiezen voor vaste contracten. En dat snap ik!

De trend van toenemende flexibilisering vertelt ons dat ondernemers het niet aandurven om te kiezen voor vaste contracten.

WWZ creëerde slapende dienstverbanden door verplichte transitievergoeding

Neem het risico van een vast contract bij ziekte bijvoorbeeld. Werkgevers moeten, sinds 2015 op grond van de WWZ, na 2 jaar hoge kosten voor loondoorbetaling, verminderde productiviteit, vervanging en allerlei re-integratieverplichtingen, een zieke werknemer óók nog een transitievergoeding betalen. Sommige werkgevers vinden dit onterecht en ontslaan een zieke werknemer na 2 jaar ziekte daarom niet. Zo ontstaat een slapend dienstverband om het betalen van een transitievergoeding te voorkomen. Dit leidt tot een onhoudbare situatie voor zowel de zieke werknemer als diens werkgever.

Kabinet bestrijdt symptomen in plaats van het wegnemen van oorzaken

Wat ik het meest frappant vind is dat de overheid de onhoudbare situatie niet oplost door de wetgeving eenvoudiger te maken, namelijk door het schrappen van een transitievergoeding bij uitdiensttreding na twee jaar ziekte. De transitievergoeding is immers bedoeld om de overgang naar een nieuwe baan te financieren. Als een werknemer na twee jaar ziekte nog steeds arbeidsongeschikt is, is er geen sprake van de transitie naar een nieuwe baan. Een transitievergoeding is dan overbodig.

Nee, in plaats van een kleine aanpassing waardoor dit door de WWZ gecreëerde probleem is opgelost, bedenkt de overheid aanvullende regelgeving. Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers namelijk met terugwerkende kracht compensatie aanvragen voor de te betalen transitievergoeding bij ziekte. Goed dat er is geluisterd naar werkgevers en werknemers, maar wat denk je dat deze compensatieregeling voor handlingskosten met zich meebrengt voor de werkgever én het UWV? Een compensatieaanvraag is niet gedaan met één druk op de knop en moet eveneens beoordeeld en behandeld worden door het UWV.

Hoe lang kunnen we wet op wet blijven stapelen? Uiteindelijk moet dat kaartenhuis toch een keer instorten?

Het kabinet blijft symptomen van wetgeving bestrijden met reparatiewetgeving in plaats van het wegnemen van de oorzaak. En hoe lang kunnen we wet op wet blijven stapelen? Uiteindelijk moet dat kaartenhuis toch een keer instorten? En ook al blijft het kaartenhuis overeind, hoe moet een werkgever alle veranderingen bijbenen?

Pensioenhervorming eveneens onhoudbaar

Ik voorzie eenzelfde onhoudbare situatie met de geplande hervorming van het pensioenstelsel. Op 18 september las ik een artikel in het Financieel Dagblad waarin Herman Kappelle, pensioenhoogleraar van de VU, waarschuwde voor het op slot gaan van de arbeidsmarkt voor 45-plussers door het nieuwe pensioenstelsel. Het is complexe materie, maar kort samengevat ontstaat er een pensioengat voor oudere werknemers. Om dit pensioengat op te vullen zullen zij, voor naar schatting ruim €7 miljard in de vorm van overgangsregelingen, aankloppen bij hun werkgevers. Het gevolg… werkgevers nemen liever geen 45-plussers meer aan. En dat terwijl de werkloosheid onder ouderen nu eindelijk dalende is.

Ik voorzie eenzelfde onhoudbare situatie met de geplande hervorming van het pensioenstelsel.

Op deze manier creëert de overheid, net als met de transitievergoeding, een negatief effect voor werkgevers én werknemers door werkgevers nieuwe wet- en regelgeving op te leggen. Ik snap het echt niet. Waarom maken we werkgeven toch zo moeilijk? De overheid lijkt te vergeten dat het mkb verantwoordelijk is voor meer dan 70% van de werkgelegenheid. Als je het mij vraagt moet de overheid (met name kleine) werkgevers in Nederland niet straffen met ingewikkelde wetgeving. In mijn ogen zou het zinvoller zijn, en zeker meer effect hebben, wanneer de overheid eens zou snoeien in de woekerende wet- en regelgeving en werkgevers helpt bij het creëren van werkgelegenheid.

Die extra 5% WW-premie voor flexcontracten is in mijn ogen gewoon bedoeld als boete voor het niet verstrekken van een vast contract.

De WAB stimuleert niet maar straft

De overheid pretendeert werkgevers te stimuleren om vaste contracten te bieden aan werknemers, zo ook met de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB). Toch zie ik de overheid met name met strafmaatregelen komen. Neem de WW-premiedifferentiatie als voorbeeld. Eén van de maatregelen van de WAB is dat per 1 januari 2020 voor alle werkgevers in Nederland twee verschillende premies gelden om de werkloosheidswet (WW) te bekostigen. Voor vaste contracten met vaste uren geldt een lage WW-premie. Voor alle andere contracten geldt een hoge WW-premie.

De miljoenennota maakte afgelopen dinsdag de precieze hoogte van de WW-premies bekend. De lage WW-premie is gesteld op 2,94% en de hoge WW-premie op 7,94%. Die extra 5% voor flexcontracten is in mijn ogen gewoon bedoeld als boete voor het niet verstrekken van een vast contract. We kunnen in dit geval toch onmogelijk spreken van stimulerende maatregelen? Werkgevers worden gedwongen om meer risico te nemen.

Ik begrijp waar het kabinet naar toe wil, de weg ernaartoe begrijp ik echter niet.

Ik begrijp waar het kabinet naar toe wil: meer zekerheid voor de werknemer. De weg ernaartoe begrijp ik echter niet. Een vast contract biedt namelijk geen zekerheid. Meer zekerheid voor de werknemer begint bij meer zekerheid voor de werkgever. Helaas zal de WAB dit niet bewerkstelligen, ik voorzie juist minder werkgelegenheid (en dus minder zekerheid), vooral voor oudere werknemers. Erg jammer!

Hans van de Ven
Algemeen directeur Please